Skip to content

COLUMN BEN KOKS: VAN KIEKENDIEF TOT BIODIVERS AKKER MOZAÏEK (BAM)

Door Ben Koks, agro-ecoloog, kiekendiefonderzoeker en directeur HCI

Op 29 juni 1990 vloog in de oostpunt van de Groningse Carel Coenraadpolder een vrouwtje grauwe kiekendief vlak voor mijn voeten van haar drie eieren op. Het was het eerste vastgestelde legsel van deze nagenoeg uitgestorven roofvogel in een luzerneveld. Ik kon toen nog niet vermoeden welke wending dat moment mijn leven zou geven – en welke betekenis het uiteindelijk zou krijgen voor de akkernatuur. Achteraf bezien was dit het begin van het Nederlandse natuurbeheer in open akkerland.

Mijn eerste ontmoeting met een grauwe kiekendief dateert overigens al uit het midden van de jaren zeventig. In Flevoland zag ik een mannetje in de lucht, met een prooi in zijn poot. Ik hoorde de roep van zijn vrouwtje en daarna volgde de beroemde prooiovergave: het mannetje liet de prooi los en het vrouwtje ving die feilloos op. De onnavolgbare schoonheid van dat moment staat voor altijd in mijn geheugen gegrift.

Schoonheid werd de opmaat naar verwondering en nieuwsgierigheid: ik wilde meer weten over deze toen bijna uitgestorven roofvogels.
En zo begon het.

Grauwe kiekendief. Foto: Ben Koks
Ben Koks en Anneke Nieuwenhuys, 1992. Foto: Martijn de Jonge
Ben Koks en Anneke Nieuwenhuijs, Groningen 1992. Foto: Martijn de Jonge
Vogelakkers in Vlaanderen

HOE DE VOGELAKKERS ONTSTONDEN

Toen ik tussen 2007 en 2009 het concept Vogelakker ontwikkelde, wist ik al dat losse, op zichzelf staande maatregelen onvoldoende zouden zijn voor soorten die afhankelijk zijn van akkerland. Het moest groter, samenhangender en ecologisch slimmer.

Een belangrijke inspiratiebron vormden de landschappen die ik tijdens habitatonderzoek in het oosten van Polen zag, in het grensgebied van Oekraïne en Belarus. Daar bestond het landbouwlandschap uit lange, vaak relatief smalle stroken, die samen een soort lappendeken van variatie vormden. Juist die afwisseling bood ruimte aan veel verschillende soorten. Dat contrasteerde sterk met de Nederlandse ruilverkavelingen, waarin veel van de oorspronkelijke variatie uit het landschap was verdwenen.

Inspiratie in het buitenland en UvA-loggers

In dezelfde periode werkte ik in vrijwel alle Duitse deelstaten waar grauwe kiekendieven in akkerland voorkwamen. Tijdens een van die reizen bezocht ik samen met een van de meest inspirerende kiekendiefonderzoekers van de laatste decennia, Beatriz Arroyo, de broedgebieden in Nedersaksen. Daar zagen we akkers waarin braakstroken en klaverrijk grasland speciaal voor akkervogels waren aangelegd. Langzaam vielen de puzzelstukjes op hun plek.

Ook nieuwe onderzoekstechnieken hielpen daarbij. Vanuit de koker van hoogleraar Willem Bouten van de Universiteit van Amsterdam waren loggers ontwikkeld waarmee we grauwe kiekendieven zeer fijnmazig konden volgen. Samen met onderzoek vanuit Wageningen konden we daardoor zowel grauwe kiekendieven als veldleeuweriken veel beter onderzoeken. Het leverde twee proefschriften op én de Vogelakker. Waarbij ik overigens moet opmerken dat de hedendaagse Vogelakkers die via het ANLb worden toegepast, in veel gevallen in de verste verte niet meer lijken op de Vogelakkers zoals wij die ontwikkeld hadden vanuit agro-ecologisch perspectief.

Grauwe kiekendief. Foto: Ben Koks
Oranje luzernevlinder in BAM-akker. Foto: Ben Koks

VAN VOGELAKKERS NAAR ZOEMENDE BAM-AKKERS

In die jaren rijpten ook verder gevorderde ideeën. Waarom zou een biodiverse akker zich alleen moeten richten op vogels? Een akkerlandschap is immers veel meer dan het leefgebied van grauwe kiekendieven en veldleeuweriken. Dagvlinders, hommels, libellen, wilde planten en talloze andere soorten zijn onderdeel van hetzelfde systeem.

Het idee voor een Vogelakker-versie met meer gewassen, betere kruidenmengsels en veel meer aandacht voor insecten en andere soortgroepen lag er dus al langer. Alleen kwam het er door privéomstandigheden niet van om het verder uit te werken.

Start met eerste BAM-akkers

Dat veranderde toen oude ideeën aan Rotterdamse keukentafels een nieuw jasje kregen. Dankzij het vertrouwen en geduld van Dirk Kunst van Natuurmonumenten, het mooie toeval dat ik Sander Bernaerts aan een keukentafel op Voorne-Putten leerde kennen en mijn eerdere kennismaking met multitalent Anthonie Stip ontstond ruimte om het idee opnieuw op te pakken. We maakten een start met de eerste BAM-akkers.

Toen vervolgens Dick Veerman tijdens een veldtrip naar West-Brabant mij in contact bracht met Hermen Vreugdenhil, volgde al na een jaar opschaling naar Gelderland. Het BAM-concept begon te vliegen.

BAM-akker Voorne-Putten. Foto: Ben Koks
Koolwitje boven luzerne in BAM-akker. Foto: Elvira Werkman

NIEUWE FASE, landelijke opschaling 2026

En nu zijn we in een nieuwe fase beland, met een landelijke opschaling. De inhoudelijke bijdragen van onder anderen Johan Dankers, Jeroen Onrust en Annick van der Laan waren in de voorbereiding van het projectvoorstel richting RVO en het ministerie van groot belang.

Ook de kennis en ervaring van boeren als Johan van Beek, Brord Sloot en andere betrokken agrariërs en grootgrondbezitters waren cruciaal. Dankzij de strakke regie van Camiel van der Burg en de eindredactie van Elvira Werkman stond er uiteindelijk een goed doordacht en, eerlijk is eerlijk, best vooruitstrevend plan.

En dat plan kreeg groen licht, najaar 2026.

WERKEN AAN HERSTEL AKKERNATUUR

Afgelopen zomer bezocht ik regelmatig de biodiverse akkers waarbij ik als ontwerper en onderzoeker betrokken ben. Ik zag jagende zwarte sterns boven de zomergerst van een BAM-akker bij Oud Zevenaar, genoot van de rijkelijke aanwezigheid van oranje luzernevlinders op Voorne-Putten en was stomverbaasd over de zeldzame zandhommels in de Hoeksche Waard.

Steeds opnieuw dringt zich het besef aan mij op: deze schoonheid behouden vraagt om het blijven ontwikkelen van nieuwe ideeën en concepten. Ons Biodivers Akker Mozaïek is zo’n innovatie. Gedreven door wat je buiten ziet, blijf je zoeken naar manieren om natuur een plek te geven in agrarische productielandschappen. In mijn geval betekent dat: werken aan de terugkeer van akkervogels, dagvlinders, hommels en al het andere fraais dat daarbij hoort.

Zandhommel in BAM-akker. Foto: Ben Koks
Grauwe gors. Foto: Ben Koks
Gele kwikstaart in erwt. Foto: Ben Koks

BAM-AKKERS DOOR HET HELE LAND

Vanaf het najaar van 2026 krijgt BAM de kans om op veel grotere schaal te laten zien wat het kan betekenen. Dan start een grote landelijke pilot met het Biodivers Akker Mozaïek. Samen met agrarische collectieven, boeren en natuurorganisaties gaan we aan de slag om het concept verder op te schalen, te testen en uit te werken.

Dat is een belangrijke stap. De eerste jaren hebben ons al een doorkijk gegeven naar de mogelijkheden, en we denken dat het nog beter, slimmer en effectiever kan. Mijn hart jubelt, omdat ik nu al weet dat onze BAM-akkers de meest biodiverse hotspots gaan worden in tal van regio’s in akkerland.

Meer gele en oranje luzernevlinders dankzij bloeiende luzerne. Meer kneutjes en andere zaadeters dankzij betere kruidenmengsels. Meer gezoem in landschappen waar dat de afgelopen decennia steeds stiller is geworden. (En nee, in een BAM-akker komen geen bijenkasten. Net zoals jacht geen onderdeel van het concept is. We willen de biodiversiteit van het agrarische landschap versterken, niet er een decor omheen bouwen.)

AANSPORING VOOR MEER KANSRIJKE CONCEPTEN

Ik ben daarom hartstikke blij dat we de kans krijgen om, samen met een groep getalenteerde mensen met een goeie kop erop, te laten zien dat je serieuze biodiversiteitswinst kunt boeken in agrarische gebieden waar de primaire landbouwproductie vooropstaat.

De komende jaren moeten uitwijzen hoe ver we daarmee kunnen komen. Veel dank aan RVO en het ministerie van LVVN voor het vertrouwen in een idee waarvan ik hoop dat het een flinke boost geeft aan alles wat kwetsbaar en broos is in onze agrarische gebieden. En laat het vooral een aansporing zijn voor anderen om vanuit praktische landbouwkundige kennis nieuwe, inpasbare en kansrijke agro-ecologische concepten te ontwikkelen.

SCHOONHEID ALS BRANDSTOF

Wat begon met een vrouwtje grauwe kiekendief dat van haar drie eieren opvloog in een Gronings luzerneveld, groeide uit tot een levenslange verwondering. Jubelende veldleeuweriken, wegschietende klaverspanners, de bruiloftsvluchten van distelvlinders en een winterse velduil zijn inmiddels onderdeel geworden van een leven waarin de twinkeling van iets moois de brandstof is voor gedreven natuurbeheer.

Het zou mij wat waard zijn als mensen die zich druk maken over doelsoorten vaker buiten zouden komen, in plaats van vergaderingen bij te wonen onder systeemplafonds en met matige koffie. Wie te weinig buiten komt, leert de natuur niet werkelijk begrijpen en al helemaal niet beschermen. Beschermen begint bij kennis, maar misschien nog eerder bij verwondering.

Blauwe kiekendief in BAM-akker. Foto: Ben Koks
Back To Top
Your Cart

Your cart is empty.